Klokken werden in de vroege middeleeuwen ontwikkeld als communicatiemiddel voor de lange afstand. Ze werden ingezet om de gelovigen op te roepen voor kerkelijke vieringen. Later, bij het ontstaan van de steden, kregen ze ook een wereldlijke functie; met het gelui konden belangrijke maatschappelijke gebeurtenissen worden aangekondigd.
Het gieten van klokken die een zuivere toon geven, is werk voor de vakman, de klokkengieter. De ideale legering voor een klok is tussen de 76 en 80% koper, gemengd met 20 tot 24% tin, zodat een sterke soort brons ontstaat dat vrijwel niet aan corrosie onderhevig is. Hoe meer tin de legering bevat, hoe warmer de toon van de klok zal zijn en hoe langer de nagalm. Niet alleen op de toon werd gelet, klokken werden ook verfraaid met sierranden en opschriften.
Het woord klok is waarschijnlijk afgeleid van het Keltische clogga, dat “kloppen” betekent.