[website ontwerp] [website maken] [page 1]
[Start]
[Start]
[Start]
[Start]
[Start]
[Onderwijs in Linschoten]

De geschiedenis van het onderwijs in Nederland.


Het overbrengen van kennis aan de volgende generatie geschiedde in het verre verleden uiteraard van ouder op kind. Dan ging het vooral om de vaardigheid van het overleven. Gericht onderwijs kwam pas in Nederland onder het bewind van Karel de Grote. Deze vaardigde een aantal onderwijswetten uit. Deze hielden onder andere in dat alle Frankische jongens in kloosterscholen moesten leren lezen, schrijven, bidden en zingen. Het ging uiteindelijk om een klein aantal jongens, dat werd opgeleid voor een kerkelijke functie. In Nederland stichtte Gregorius, een leerling van Bonifatius, in Utrecht in het jaar 754 de eerste kloosterschool.


Door de verstedelijking van de lage landen en groeiende handel ontstond er rond de 13e en 14e eeuw behoefte aan beter opgeleide burgers. Daarom werden er op de kloosterscholen ook burgerjongens toegelaten, die voor een burgerfunctie werden opgeleid. Het onderwijs werd in die tijd door de kerk geregeld. Naast de kloosterschool ontstond ook de parochieschool waar de pastoor de lessen verzorgde. De stadsbesturen probeerden echter meer greep op het onderwijs te krijgen en richtten daarvoor de Latijnse school op met veelal daarnaast een aparte afdeling een ‘Leage School’, de voorloper van de huidige lagere school. Hier werd niet in het Latijn, maar in het Nederlands onderwijs gegeven. Langzamerhand verschenen er ook particuliere scholen. Uiteraard was onderwijs op die scholen alleen weggelegd voor de welgestelden.

Een belangrijke verandering in het onderwijs vond plaats tijdens de Reformatie.(1517) Er mocht vanaf die tijd in ons land geen onderwijs meer gegeven worden door de katholieke kerk. Het verkondigen van het katholieke geloof in scholen werd verboden. Alleen het protestantisme mocht nog onderwezen worden. Dat betekende dat de pastoor vervangen werd door een schoolmeester.

Op het platteland duurde het tot in de zeventiende eeuw voordat de meeste kinderen in de gelegenheid waren om naar school te gaan. Lang niet alle ouders lieten de kinderen echter naar school gaan. Het was in die tijd gebruikelijk, dat er hoofdelijk onderwijs werd gegeven. Elke leerling kreeg een eigen taak. De ouders moesten voor elke taak apart betalen. Pas een groot aantal jaren later is het klassikaal onderwijs ingevoerd. (1,2)

In de periode van de Franse overheersing van ons land ( 1795-1813 ) werden achtereenvolgens in 1801, 1803 en 1806 een aantal belangrijke onderwijswetten aangenomen. De lager onderwijswet van 1806 werd onderscheid gemaakt tussen twee typen scholen: naast de lagere school, de Latijnse school. De overheid regelde vanaf dat moment bij wet het onderwijs. De rol van de kerken werd ingeperkt. Er was vrijwel uitsluitend sprake van openbaar onderwijs. Steeds meer ouders wilden echter, dat hun kinderen les kregen op scholen, overeenkomstig de opvattingen van de ouders. Zij wilden christelijk onderwijs. (3)

In 1848 werd in de grondwet de vrijheid van onderwijs vastgelegd. Om een einde te maken aan de strijd tussen het openbaar en bijzonder onderwijs werd in 1857 de Wet op het Lager Onderwijs van kracht.  Daarna werden in de loop van de 19e eeuw verschillende wetten gemaakt voor de regulering van het middelbare en hoger onderwijs.

Ook kwam wetgeving tot stand voor onder meer het landbouwonderwijs, het handelsonderwijs en de onderwijzersopleiding.

Op 1 januari 1901 trad in ons land de leerplichtwet in werking. Kinderen in de leeftijd van 6 tot 12 jaar moesten onderwijs volgen. Er was vrijstelling mogelijk voor kinderen in boerengezinnen. Ook huisonderwijs bleef officieel toegestaan.

In 1920 werd een belangrijke onderwijswet van kracht, die bepaalde, dat het openbaar en het bijzonder onderwijs in gelijke mate voor overheidsbekostiging in aanmerking kwamen. De schoolstrijd was nu definitief ten einde.(4)

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen tal van vernieuwingen in het onderwijs tot stand. Er kwam meer aandacht voor bijvoorbeeld creativiteit, ook werd benadrukt, dat het belangrijk is om individuele verschillen tussen leerlingen te honoreren.

Een grootschalige vernieuwingsoperatie in het voortgezet onderwijs was de Mammoetwet van 1968. Hierbij veranderde de structuur van het voortgezet onderwijs. De HBS verdween en het mavo, havo en vwo werden ingevoerd.

Belangrijk moment was ook de invoering van de Wet op het Basisonderwijs: kleuterschool en lagere school worden samengevoegd.

Ook in de jaren daarna vonden regelmatig veranderingen plaats. In 1999 gingen de mavo en het lbo op in het vmbo. 

In deze periode vond ook schaalvergroting plaats, zowel met betrekking tot schooltypen, als ook bestuurlijke fusies. De zelfstandige dorpsscholen, de z.g.n één-pitters ( een bestuur met een school ) verdwenen vrijwel overal in ons land.


Bronnen:

(1)Saskia Noordoven, De geschiedenis van het onderwijs in Nederland tot en met de huidige basisschool, Uitgave: Nationaal Onderwijsmuseum Rotterdam, 1999

(2)Gammasteunpunt Rijks Universiteit Groningen, Profielwerkstuk Geschiedenis van het onderwijs.

(3)L.C. Stilma, De school met den Bijbel in historisch- pedagogisch perspectief, academisch proefschrift, maart 1987

(4)Dr. J.W. van Hulst e.a. Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse Onderwijs in de periode 1900-1940, Groningen, 1970.

(5)Boek: Langs de Linschoten, grepen uit de historische ontwikkeling van dorp en rivier. uitgegeven 1968.

(6)Sprokkelingen uit de geschiedenis van Linschoten en Snelrewaard deel I. uitgegeven 1978.

(7) IJsselbode 19 juni 2012 pagina 8 auteur Joke de Wissel.

  

Onderwijs in Linschoten